Hoofdstuk 1Hoofdstuk 2Hoofdstuk 3Hoofdstuk 4Hoofdstuk 5Hoofdstuk 6Hoofdstuk 7Hoofdstuk 8Hoofdstuk 9Hoofdstuk 10Hoofdstuk 11
Weergave Inhoudsopgave Reageren Summary Afdrukken Download

1.5 Relevantie van het onderzoek

Maar voordat we overgaan tot de uitwerking van de probleemstelling, zullen we nog stil staan bij het waarom van dit onderzoek. Waarom richt de onderzoeker zijn aandacht op informatisering en bureaucratisering? Is het niet veel interessanter om naar kwaliteits-management, human resource management, ethiek in het Openbaar Bestuur, of het autopoietische karakter van het Openbaar Bestuur te kijken?
Met de vraag naar de verantwoording van het onderzoek staan de persoonlijke keuzen van de onderzoeker centraal. Er bestaat een delicaat evenwicht tussen de persoonlijke overtuigingen van de wetenschapper en zijn wetenschappelijke werk. Wat de onderzoeker bestudeert, wat wel en niet interessant wordt gevonden, is een persoonlijke keuze. Maar het is ook een politieke keuze (Baumgarten, 1965: 113). Immers, bij onderzoek worden middelen ingezet. En deze middelen zijn schaars, waardoor de allocatie van deze schaarse middelen een politiek element in zich draagt. De schaarste en het daaraan verbonden politieke element verhogen de kans dat de wetenschappelijke vragen passen binnen een conserverende traditie (van Doorn, 1989:195; Winner, 107). De onderzoeker ontkomt er niet aan zich daarvan rekenschap te geven. Hieronder geef ik in het kort de maatschappelijke en bestuurskundige relevantie van het onderzoek weer.

Maatschappelijk is de vraagstelling van dit onderzoek van waarde. Er worden immers vele miljoenen, inmiddels zelfs al enkele miljarden per jaar aan gemeenschapsgelden geÔnvesteerd aan informatiseringsdoeleinden binnen het openbaar bestuur (TK 20644 nrs. 1-2., 1988). Het is van groot belang de consequenties van dit proces te doorzien. Draagt informatisering bij aan de hogere effectiviteit en efficiŽntie en vergroot het de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, zoals de formele doelstellingen van het Nederlandse overheidsbeleid luiden? Maar ook: wiens effectiviteit wordt verhoogd en ten koste waarvan?
Met informatisering vindt er zeker verspilling in termen van geld plaats binnen de overheid. Tegenover het 'bureaucrat-bashing', waarin met een zeker genoegen gehamerd wordt op de grote faalprojecten bij de overheid, wordt gesteld dat ook binnen het bedrijfsleven vaak grote projecten misgaan, maar dat deze faalprojecten minder kans lopen aan de grote klok gehangen te worden. Dat moge waar zijn, maar een echte troost is dat niet. Immers het bedrijfsleven opereert met eigen middelen en heeft derhalve het recht zelf te beslissen in hoeverre zij dat geld verspilt of niet. Overheidsgeld is geld dat is onttrokken aan de gemeenschap en de besteding daarvan moet aan hogere eisen voldoen.
Toch is de verspilling van geld niet de eerste zorg, die zijn uitdrukking vindt in dit onderzoek. Hier staat veeleer de zorg om de consequenties van informatisering voor de kwaliteit van het Openbaar Bestuur centraal. Het gaat hier om de suggestie dat informatieverwerking en beslissen hoofdzaak is binnen de overheidsorganisaties. Dit getuigt van een 'platgeslagen' visie op beleid waarin dat beleid gereduceerd wordt tot een eendimensionaal fenomeen. De overheid is namelijk veel meer dan een 'informatieverwerkend beslisbedrijf. Informatieverwerking is hooguit een bijproduct, een soms noodzakelijk kwaad, dat nodig is om aan de wezenlijke taken toe te komen. Veel wezenlijker is bijvoorbeeld het (bindend) waarden toedelen. Overheidsoptreden betreft vaak (pogingen tot) gerichte gedragsbeÔnvloeding, waarbij machtsmiddelen (zij het vaak achter de hand) een zeer wezenlijke rol spelen. De overheidsorganisaties zijn instrumenten die gebruikt worden om politieke waarden en keuzen na te streven, uit te dragen en over te dragen (zie bv. Lipsky, 1980: 180 e.v.). Zij zijn meer dan een doel-rationele ordening van activiteiten en bezitten ook intrinsieke waarde (van Doorn, 1989:177). Zo betoogt Lipsky:

"As V.O. Key Jr. has observed: " ... one of the great functions of the bureaucratic organizations is as a conservator of the values of a culture. In the purposes, procedures, ceremonies, outlook, and habits of the bureaucracy are formalized the traditional cultural values". This observation actively translates into reciprocity between the larger society and the structure of bureaucratic institutions. For street-level bureaucracy it means that these agencies are embedded in a larger system that creates and fortifies working conditions. In turn, street-level bureaucracies help reproduce prevailing relations between individuals and government organizations' (Lipsky, 1980:180).

Deze wederkerige relatie tussen bureaucratie en samenleving maakt het belangrijk om de gevolgen van informatisering voor bureaucratieŽn op hun waarde te schatten. Immers als we met informatisering onze bureaucratieŽn fundamenteel wijzigen, wijzigen we (wellicht) op termijn ook onze samenleving.
Het belang van de waardering van de informatisering komt ook in het empirische deel, waar het werk van sociale diensten centraal staat, naar voren. In weerwil van wat sommige informatiseringsdeskundigen lijken te denken (Nieuwenhuis, 1989), spelen in sociale diensten feitelijke informatie en beslissingsalgoritmen slechts een beperkte, zij het wezenlijke rol. Zaken als teamvorming, persoonlijk vertrouwen, wederzijds respect, intuÔtie, geduld, affectie, emancipatie, maar ook macht, sancties, bluf en overredingskracht zijn evenzovele, belangrijke elementen in het realiseren van het beleid, naast het beschikken over juiste informatie en goede (beslissings-) procedures. Het idee dat het slechts een kwestie van tijd is voordat de sociale diensten in hun geheel niet meer hoeven te bestaan, omdat zij vervangen kunnen worden door een volledig zelfstandig opererend expert-systeem met een daaraan verbonden 'flappentap' is misleidend en wellicht zelfs maatschappelijk bedreigend, omdat zij de essentie van het werk van de sociale diensten miskent. Het is intrigerend om te zien dat het wezen van uitvoeringsorganisaties in het Openbaar Bestuur wordt gereduceerd tot een informatieverwerkende beslismachine, juist in een tijd dat er sprake is (geweest) van sterke democratiseringsbewegingen, terwijl tegelijkertijd een steeds sterkere behoefte aan flexibelere, horizontale structuren gevoeld wordt. De eisen die een dergelijk tijdsgewricht stelt, staan nu juist haaks op de beschreven technocratische visie. Wanneer deze visie dan toch bewaarheid wordt in de praktijk, zou dat kunnen leiden tot vervreemding, grote sociale onrust en grotere maatschappelijke ongelijkheid, welke uiteindelijk bedreigend kunnen zijn voor het voortbestaan van het democratisch bestel in zijn geheel. Inzicht in de informatisering is vanuit dat oogpunt zeker relevant.

Voor de bestuurskunde als wetenschap is de vraagstelling van dit onderzoek wellicht ook interessant. Immers, ondanks de vele, felle aanvallen staat Weber's ideaaltype nog steeds fier overeind (Perrow, 1986; Etzioni-Halevy, 1985). De normatiek gelegen in het ideaaltype van Weber is voor de meeste westerse democratieŽn nog steeds leidinggevend principe bij de inrichting van het Openbaar Bestuur. Er zijn inmiddels wel vele amendementen aangebracht (Vroom, 1980), waarmee de inzichten van Weber zijn verrijkt, maar het wezenlijke fundament van Weber's analyse - de onstuitbare opkomst van rationeel legale bureaucratieŽn - is nooit weerlegd. HiŽrarchisering, formalisatie, standaardisatie, specialisatie en centralisatie (centrale concepten in het proces van bureaucratisering) nemen nog steeds toe. Deze bureaucratisering kan overal waargenomen worden, of het nu gaat om het verstrekken van studiebeurzen aan studenten, of het verstrekken van uitkeringen aan bijstandstrekkers, of om de afhandeling van parkeerboetes en snelheidsovertredingen, of om andere processen. Overal zien we processen van bureaucratisering (waarbij veelal informatisering een belangrijke rol speelt). En amendementen, of dat nu de inzichten van de Hawthorne studies zijn (human relations school), of bijvoorbeeld de in oorsprong emancipatoir bedoelde concepten van zelfbeheer (Kastelein, 1990), lijken slechts aan te slaan en verder ontwikkeld te worden op momenten dat zij kunnen bijdragen aan een verdergaande beheersing. In dat kader is het voor de bestuurskunde relevant de achtergronden van Weber's ideaaltypen te doorgronden.

volgende paragraaf »